Door: Viziris Voorheen Federatie Slechtzienden- en Blindenbelang
23-02-2006 - Inleiding
De organisatie van de lectuurvoorziening voor blinden en slechtzienden zal de komende jaren ingrijpend veranderen. Naar aanleiding hiervan wijdt de Federatie Slechtzienden- en Blindenbelang een extra editie van Kortschrift aan de voorstellen hierover van het ministerie van OCW, de achtergronden daarvan en de zienswijze en standpunten van de Federatie SB-belang.
Het ministerie van OCW geeft jaarlijks een subsidie van 13,25 miljoen euro aan het ‘stelsel’ van blindenbibliotheken, ook wel de ‘Anders Lezen Bibliotheken’ genoemd. De subsidie is bestemd om boeken, kranten, tijdschriften, studie- en vakmateriaal en opdrachten op individueel verzoek (consumentenwerk) om te zetten in aangepaste leesvormen en ter beschikking te stellen aan de lezers. De leesvormen zijn gesproken (Daisy) en braille, en in sommige gevallen grootletter. Onderzoek, technologische ontwikkeling en internationale samenwerking vinden ook plaats binnen dit budget. Het stelsel van blindenbibliotheken wordt gevormd door de instellingen FNB, NLBB, CBB en LSB.
Het ministerie van OCW dringt er al jaren op aan dat deze instellingen meer samenwerken op het terrein van de productie, reproductie, distributie en dienstverlening. In de loop der jaren zijn allerlei pogingen gedaan om de samenwerking te verbeteren en meer als een eenheid naar buiten te treden. Hoewel ingrijpende veranderingen, zoals de introductie van Daisy, de laatste jaren al zijn doorgevoerd, en de dienstverlening over het algemeen een hoog niveau heeft, is naar het oordeel van de staatssecretaris nog onvoldoende resultaat geboekt. Een laatste poging van een externe deskundige om samen met de instellingen een oplossing te bereiken leverde in het voorjaar 2005 evenmin het gewenste resultaat op. Daarom heeft Staatssecretaris Van der Laan eind 2005 haar voornemens kenbaar gemaakt om een nieuwe structuur voor de lectuurvoorziening op te zetten.
Hieronder volgt een weergave in hoofdlijnen van de voornemens van de staatssecretaris en de gevolgen voor de betrokken instellingen en de gebruikers. De schriftelijke vragen die door de Tweede Kamerfracties zijn gesteld naar aanleiding van de beleidsbrief zijn inmiddels schriftelijk beantwoord door de staatssecretaris. De voornemens, de vragen van de kamerleden en de reactie van de staatssecretaris worden op 15 maart 2006 besproken in een Algemeen Overleg van de Vaste Tweede Kamercommissie voor OCW met de staatssecretaris. Het is dus nog mogelijk dat er wijzigingen worden voorgesteld in de hier beschreven plannen.
Het document met de kamervragen en de beantwoording daarvan treft u aan op onze website www.sb-belang.nl.
De Staatssecretaris van OCW, Medy van der Laan, heeft op 21 november 2005 een beleidsbrief geschreven, waarin zij de uitgangspunten voor herstructurering van de lectuurvoorziening voor blinden en slechtzienden beschrijft. Wij noemen hier de belangrijkste onderdelen van de voornemens.
Eén van de belangrijkste wijzigingen is dat de regie over de bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden, inclusief de subsidieverlening, per 1 januari 2007 wordt neergelegd bij het openbaar bibliotheekwerk. Het blindenbibliotheekwerk wordt daarmee dus ook een onderdeel van het openbaar bibliotheekwerk.
Een tweede wijziging is dat er per 1 januari 2007 één landelijk centraal (telefonisch bereikbaar) loket voor de dienstverlening aan blinden en slechtzienden moet komen, ingericht bij een grote openbare bibliotheek. Dit nieuwe loket vervangt de huidige loketten voor algemene lectuur en is bestemd voor de huidige klanten van de bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden.
Naast dit landelijke loket wordt er vanaf 1 januari 2007 een zogenaamd netwerk van “decentrale servicepunten” ingericht, waar mensen met een visuele beperking terecht kunnen om te kiezen uit lokaal beschikbaar leesmateriaal. De servicepunten kunnen daarnaast desgewenst materiaal bestellen bij het centrale telefonische loket, maar zullen er ook mensen naar doorverwijzen. In principe kunnen alle lezers – zowel de huidige als de nieuwe lezers - zelf kiezen via welk kanaal zij aan hun lectuur en informatie willen komen, dus rechtstreeks bij de centrale faciliteit of via een decentraal servicepunt.
Een derde wijziging is de introductie van ‘vraagsturing’ per 1 januari 2009. Op dit moment krijgen de instellingen rechtstreeks subsidie voor onder andere de productie-, distributie- en loketfunctie. Bij de introductie van vraagsturing bepaalt het openbaar bibliotheekwerk wat er gekocht of geproduceerd moet worden. Het openbaar bibliotheekwerk is dan opdrachtgever voor productie in aangepaste leesvormen bij een producent. Als meerdere producenten zich aanbieden ontstaat er volgens de staatssecretaris ‘marktwerking’. In een andere betekenis van vraagsturing zal de dienstverlening door het openbaar bibliotheekwerk op adequate wijze moeten voorzien in de behoeften van de lezers. De staatssecretaris hecht daarom aan een directe inbedding van de gebruikersinbreng in de nieuwe situatie.
Een vierde wijziging is dat de dienstverlening voor aangepaste studie- en vakliteratuur buiten het stelsel van de openbaar bibliotheken zal blijven en rechtstreeks subsidie van het ministerie blijft ontvangen.
Het jaar 2006 is een voorbereidingsjaar, waarin de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) een operationeel plan zal opstellen. Dat operationeel plan moet in de jaren 2007 en 2008 worden uitgevoerd en de integratie van de huidige voorziening in het openbaar bibliotheekwerk moet per 1 januari 2009 compleet zijn.
De volledige tekst van de beleidsbrief treft u aan op onze website www.sb-belang.nl.
In 2007 en 2008 krijgen FNB, NLBB, CBB en LSB nog slechts 90% van de huidige subsidie voor hun activiteiten. In die periode moeten zij hun expertise overdragen aan het openbaar bibliotheekwerk en het eigen loket gefaseerd afbouwen. Met ingang van 1 januari 2009 vervalt de subsidie aan deze instellingen. De beleidsbrief laat echter wel ruimte voor een toekomstige rol voor de FNB, CBB, NLBB en LSB.
Met de 10% van de subsidie die overblijft mag het openbaar bibliotheekwerk eigen keuzes maken op het gebied van (de organisatie) van de dienstverlening en de inkoop en opdrachtverlening voor productie. Het openbaar bibliotheekstelsel kan dan zelf beslissen of zij producten en diensten inkoopt bij déze instellingen of bij eventuele nieuwe aanbieders.
De (huidige) gebruikers van algemene lectuur en kranten en tijdschriften kunnen hun aangepaste lectuur telefonisch blijven bestellen en krijgen deze gewoon thuisgestuurd. Zij hoeven daarvoor NIET de deur uit. Voor zover hierover nog misverstanden waren, heeft de Staatssecretaris die weggenomen in haar beantwoording van de kamervragen. Hoe de dienstverlening er organisatorisch in de toekomst precies uit zal zien is echter nog moeilijk te omschrijven. De praktische uitwerking moet immers nog worden vastgelegd in het operationeel plan van de Vereniging Openbare Bibliotheken, die ook de goedkeuring van de staatssecretaris behoeft.
Er staat in de beleidsbrief ook dat één en ander zo geregeld moet worden dat bestaande klanten al per 1 januari 2007 (formeel) gebruik maken van de nieuwe centrale faciliteit of, als zij dat willen, van één van de decentrale servicepunten. Nieuwe klanten voor de aangepaste lectuurvoorzienig moeten zich aanmelden bij een openbare bibliotheek of bij een decentraal servicepunt, maar kunnen zich desgewenst ook wenden tot het centrale loket.
De klanten worden vanaf 1 januari 2007 automatisch lid van “de openbare bibliotheek”. Bij het lidmaatschap van de openbare bibliotheek zal een speciale contributiebijdrage voor blinden en slechtzienden horen, die overeenkomt met andere landelijke gereduceerde contributies voor specifieke doelgroepen.
Voor de gebruikers van studie- en vakmaterialen verandert er helemaal niets. Deze voorziening zal immers niet worden ondergebracht bij het openbaar bibliotheekstelsel.
De Federatie is voor één landelijk loket dat rechtstreeks toegankelijk is voor mensen met een visuele beperking. De Federatie is ook positief over de aansluiting bij het stelsel van openbare bibliotheken. Dit kan de informatievoorziening over lectuur en informatie en de collectievorming ten goede komen. Bovendien kunnen gebruikers van de openbare bibliotheek die op latere leeftijd met een visuele beperking te kampen krijgen beter worden bereikt. Voor hen ontstaat een logische verbinding tussen de dienstverlening waaraan zij gewend waren en de voorziening voor aangepaste lectuur. Kennis en expertise van het blindenbibliotheekwerk mogen echter niet verloren gaan en moeten worden opgenomen in en ook benut worden door het openbaar bibliotheekwerk. Omdat de Federatie vindt dat de inbedding in het plaatselijke openbare bibliotheekwerk een toegevoegde waarde moet hebben, moet bij de opzet en de inrichting van decentrale servicepunten rekening worden gehouden met adviezen en ervaringen die eerder zijn (op)gedaan rond het project “Samenwerking Openbare en Blindenbibliotheken”. Uit de beantwoording van de kamervragen kunnen we opmaken dat dit ook de bedoeling is van de Staatssecretaris. De Federatie vindt echter dat een centrale landelijke voorziening rechtstreeks bereikbaar moet zijn voor de klanten. In de beantwoording van de kamervragen zegt de staatssecretaris dat de decentrale servicepunten aanvullend moeten zijn op de centrale faciliteit.
De Federatie stelt zich ook op het standpunt dat de veranderingen moeten leiden tot een merkbare verbetering van aanbod en kwaliteit van producten en dienstverlening. De gelijkwaardige toegang tot informatie en lectuur moet gewaarborgd zijn. De vraagtekens over de mogelijkheden van plaatselijke openbare bibliotheken en het pleidooi voor een kwalitatief hoogstaande landelijke voorziening blijven staan.
In dat kader plaatst de Federatie vooralsnog ook vraagtekens bij de verwachtingen over marktwerking ten aanzien van de productie van materialen in aangepaste leesvorm. Met andere partijen die gereageerd hebben op de beleidsbrief vindt de Federatie dat de beleidsvoornemens geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de auteursrechtelijke bescherming van de aangepaste lectuurvoorziening en de portvrijdom.
De vraag is of het loskoppelen van de dienstverlening voor studie- en vakmateriaal van die van algemene lectuur verstandig is en niet zal leiden tot inefficiënt gebruik van middelen. Ook stelt de Federatie dat eventuele kosten voor de opzet en opbouw van de nieuwe structuur en reorganisatie niet uit het budget voor de voorziening mogen worden betaald. De beantwoording van de kamervragen stelt ons op dit punt allerminst gerust.
Verder vindt de Federatie dat de staatssecretaris in haar brief te hoge verwachtingen heeft van het inzetten van het commerciële luisterboek als middel om in de leesbehoeften van mensen met een visuele beperking te voorzien. De Staatssecretaris heeft dit beeld weliswaar genuanceerd in de beantwoording van de kamervragen maar de Federatie blijft er groot belang aan hechten dat het aanbod op zijn minst zo breed blijft als het nu is. In dat verband zal de Federatie de staatssecretaris houden aan de passage in de beleidsbrief waarin zij zegt dat het aanbod van de voorziening, meer nog dan nu het geval is, bepaald moet worden door de vraag. De wensen van de gebruikers moeten volgens haar daarbij leidend zijn en die zijn volgens de Federatie veel breder dan het aanbod dat commercieel ook in de toekomst kan worden gedaan.
De Federatie heeft in haar reactie aangegeven verontrust te zijn over de toekomst van diensten die niet of nauwelijks genoemd worden in de beleidsbrief, zoals braille, reliëf, bladmuziek, consumentenwerk, verenigingswerk, werk voor ‘derden’ en kranten en tijdschriften. Over kranten en tijdschriften heeft de Staatssecretaris in de beantwoording van de kamervragen gezegd dat zij de productie van kranten en tijdschriften blijft subsidiëren en dat het loket, zoals ook nu het geval is, kan worden gefinancierd uit de abonnementsgelden.
Over de productie en beschikbaarstelling van braille wordt met geen woord gesproken en daar zal de Federatie – aansluitend aan de acties in 2004 en 2005 – in de contacten met de Tweede Kamer zeker op terugkomen. Dat geldt ook voor de andere genoemde lectuursoorten.
De Federatie is het niet eens met het voornemen dat tot 1 januari 2009 een deel van het studie- en vakbudget wordt geoormerkt voor de dienstverlening aan dyslectici. Dit budget is oorspronkelijk bestemd voor slechtzienden en blinden, maar in de praktijk liften de dyslectici al jaren mee op dit budget. De Federatie vindt dat dyslectici ook recht op toegang tot informatie hebben, maar dat daarvoor zo snel mogelijk extra geld beschikbaar moet worden gesteld. De staatssecretaris draait het in de beantwoording van de kamervragen om en zegt met het instellen van dit budgetplafond voor dyslectici de belangen van de oorspronkelijke doelgroep juist veilig te stellen, in afwachting van het nog te ontwikkelen beleid van haar ministerie ten aanzien van dyslectici.
De Federatie zal zich er sterk voor maken dat een goed beleid ten aanzien van de bovengenoemde punten in het operationeel plan wordt vastgelegd. In haar reactie heeft de Federatie aangegeven te verwachten dat de erkende vertegenwoordiger van het gebruikersbelang nauw betrokken zal worden bij het opstellen van het operationeel plan door de Vereniging Openbare Bibliotheken.
Onze reactie op de plannen van de staatssecretaris van OCW is in december 2005 per brief kenbaar gemaakt aan de staatssecretaris. Deze brief is ook ter informatie aan de leden van de Vaste Kamercommissie OCW gezonden. Diverse fracties hebben de reactie gebruikt bij de formulering van hun vragen aan de Staatssecretaris. De Federatie heeft het voornemen de Tweede Kamer te wijzen op de onderwerpen die wel in onze brief zijn genoemd maar waarop niet of voor ons onbevredigend is ingegaan.
In 2006 wil de Federatie betrokken worden bij de opzet van het operationeel plan, waarin de plannen van het ministerie worden uitgewerkt. Op deze wijze zal namens de gebruikers invloed blijven uitoefenen op de inhoud ervan. Zij overlegt daarvoor met de Vereniging Openbare Bibliotheken. Aangezien de studie- en vakvoorziening rechtstreeks gesubsidieerd blijft door de staatssecretaris van OCW, zullen wij de vragen over haar beleid ten aanzien van deze voorziening rechtstreeks aan het ministerie van OCW voorleggen.
De basis van het beleid van de Federatie ten aanzien van de lectuurvoorziening voor mensen met een visuele beperking is in samenspraak met de achterban neergelegd in een visiedocument (“Lectuur- en Informatievoorziening voor mensen met een visuele handicap in de periode 2005-2008; een visie vanuit gebruikersperspectief”).
Dit visiedocument is in juni 2004 opgesteld met het oog op de besluitvorming rondom de herstructurering van de lectuurvoorziening en is destijds aangeboden aan de Staatssecretaris en de Vaste Kamercommissie van OCW.
Een andere basis voor het beleid vormt het braillemanifest, waarin de Federatie in oktober 2005 aanbevelingen voor de toekomst van het braille heeft neergelegd. Deze aanbevelingen zijn onder andere gebaseerd op de uitkomsten van gebruikers¬onderzoek. In november 2005 heeft de Federatie dit manifest aangeboden aan de vaste kamercommissie OCW en VWS.
Een commissie bestaande uit diverse gebruikers van de lectuurvoorziening adviseert de Federatie regelmatig bij het te voeren beleid. Een groep van contactpersonen bij de lidorganisaties wordt op de hoogte gehouden van belangrijke ontwikkelingen en daar waar nodig geraadpleegd. Vanzelfsprekend betrekt de Federatie bij haar inbreng ook de individuele reacties die rechtstreeks bij ons binnenkomen.
Via het dossier lectuurvoorziening, zie de link onder dit artikel, is alle relevante documentatie eenvoudig tterug te vinden. Het visiedocument en het braillemanifest zijn ook op te vragen bij de Federatie in grootletter en in braille. Dit kan per e-mail (info@sb-belang.nl) of telefonisch (030 – 299 28 78)
Uit: Kortschrift.
Website: http://www.sb-belang.nl