Door: Rob Melchers
18-04-2006 - Puur medisch gezien ben ik deze maand opnieuw vijf jaar geworden. Op 13 april 2001 werd ik namelijk in niet meer ademende staat het Chong Hua Hospital in Cebu binnengedragen, alwaar de dienstdoende arts vaststelde, dat mijn hemoglobinegehalte onder de waarde was gedaald waarop bloed nog zuurstof kan transporteren. Toen ik na enige tijd mijn ogen open deed en vroeg hoe laat het was, gaf het Filippijnse verpleegstertje, dat net een kaartje aan mijn grote teen bevestigde, dan ook een luide gil. De gealarmeerde arts voegde zich weer aan mijn plank en sprak op geïrriteerde toon: "U wordt geacht dood te zijn."
Ik blijf altijd beleefd in zulke situaties. Per slot van rekening kan je niet helemaal zeker zijn of je inderdaad nog leeft, of dat je in het voorportaal van de eeuwige jachtvelden bent aangekomen, ook al had ik het bestaan daarvan meerdere malen in twijfel getrokken. Toen ik nog leefde, had ik me wel eens een voorstelling proberen te maken van het hiernamaals en had me voorgenomen, dat mocht het er van komen, ik graag ergens tussen hemel en hel wilde verblijven. Voor de hel ben ik niet slecht genoeg, maar om de rest van mijn eeuwige leven in Artis te wonen, is iets wat me niet aantrekt. Niet dat ik een hekel aan dieren heb, integendeel, maar als gesprekspartner gaan ze vervelen. Ik zit graag in een Amsterdamse kroeg een borreltje te drinken met een mooie meid en babbel daar dan graag wat bij. Als je het mij vraagt, is Eva daar het type niet voor. Trouwens, ik val niet op Eva. Te veel buik en te weinig buste.
"Neemt u ook overledenen op?" vroeg ik beleefd en in mijn beste Filippijns. Het gezicht van de arts klaarde op. Hier viel misschien toch nog geld te verdienen. Hij dacht even na en antwoordde: "Alleen als ze goed verzekerd zijn." Ik vertelde dat ik in het bezit was van de op één na duurste polis van Ayala, een gerenommeerde verzekeringsmaatschappij. Een kwartiertje later lag ik in een schoon bed in een ruime privé kamer, omgeven door doorzichtige plastic zakken met vloeistof waarmee mijn bloedsomloop was uitgebreid. Het had niet veel moeite gekost om de arts er van te overtuigen dat overledenen meestal niet zo spraakzaam zijn en eenmaal geattendeerd op het bestaan van de cardiograaf hadden we samen vastgesteld, dat ik weer in het land der levenden was teruggekeerd.
Een dag later ging het licht uit. Zoiets heet een complicatie. Op 14 april jongstleden had ik dus precies vijf jaar last van een complicatie, die bij mijn terugkeer naar Nederland zou worden omschreven als Ischemische Optische Neuropathie. Dat betekent, dat je het met kijken wel kan schudden.
Het is 13 april 2006 en op de set van 'Point of View' klinkt applaus. De leerlingen van de Film Academie hebben het laatste shot met succes opgenomen en zijn daarmee net niet door het beschikbare celluloid heen. Drie dagen lang hebben we bij een temperatuur van niet veel meer dan 5 graden gewerkt aan een filmpje van vijf minuten, waarin ik, samen met Eddie van 8 jaar, de hoofdrol mocht spelen. Een blinde en een kind tussen filmzonnen, camera's en snoeren, heel veel snoeren die op de grond liggen. Statieven met microfoons en de bestrating van de Molenwijk in Amsterdam Noord, die nodig aan herstel toe is. Er is dus heel wat afgestruikeld in die drie dagen.
"Mogen we stilte voor een opname," klinkt het uit de portofoons. "Take 21, de tweede." Even denk ik terug aan die andere opname, vijf jaar geleden, en aan de dag, dat het licht uit ging. Hier is het licht aan, en niet zo'n beetje ook. Ondanks de kou is het warm onder de filmzonnen. Dan wordt er 'Actie!' geroepen en loop ik op gehoor naar Eddie toe en grijp hem in zijn nekvel. "We zijn gestopt!" brullen de portofoons en als even later de mededeling "Gates clear!" klinkt, loop ik terug naar mijn beginpositie. Warme handen vangen me op. "Hij was goed. Sigaretje roken?" hoor ik zeggen. Dankzij de schatten van begeleiders en begeleidsters konden lampen, camera's en statieven na afloop in goede orde worden ingeladen. Ook Eddie en ik hebben het er heelhuids afgebracht. Beter nog, ik heb in deze drie dagen meer geleerd over mobiliteit dan in de twee maanden, die ik met een ergotherapeut van Visio in Diemen heb doorgesukkeld. Kortom, ik had me geen leukere vijfde verjaardag kunnen voorstellen.
De rest van deze maand ga ik eens lekker nagenieten en me bemoeien met de geluidsmontage van het filmpje. Daarna heb ik misschien wel weer wat te melden over lectuurvoorziening, pratende computers en navigatie satellieten. Over het hiernamaals en herboren worden heb ik intussen ook nog wat nagedacht. Misschien viel Pasen wel vroeg, in 2001. In ieder geval is het me de afgelopen dagen weer eens duidelijk geworden: er bestaat nog een leven na het ontbijt.