Rubriek: Algemeen

Worden verworvenheden het kind van de rekening?

Door: Jan Troost, voorzitter Chronisch zieken en Gehandicapten Raad

17-06-2004 - Studiedag Platform Gehandicapten Bve, 3 juni 2004
Met dank aan Rob van Asten en Ton van den Bersselaar.

Het gaat goed met de leerling of student met een functiebeperking……

Immers, sinds begin van dit schooljaar kunnen ouders en leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs zelf bepalen of zij kiezen voor regulier of toch het speciaal onderwijs, doordat de leerlinggebonden financiering is ingevoerd. Bovendien kunnen leerlingen met een handicap in het beroepsonderwijs sinds 1 december jl. gebruik maken van de Wet Gelijke Behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, als zij ongelijk worden behandeld bij toelating of tijdens de opleiding. Daarnaast zijn er onlangs afspraken gemaakt met het ministerie van VWS over een structurele inzet van het persoonsgebonden budget (PGB) en kunnen de hogescholen en universiteiten zich verheugen op een financiële injectie van 3,3 miljoen euro voor studie-adviseurs in het kader van het project IMPULS 2004.

Het aantal leerlingen met een beperking in het middelbaar beroepsonderwijs neemt gestaag toe. Er zijn diverse minder positieve ontwikkelingen gaande, die de resultaten van meer dan tien jaar ontwikkeling van beleid bij het MBO onder druk zetten.

In vogelvlucht wil ik u een historisch overzicht geven van de ontwikkeling en de expertiseopbouw met betrekking tot de toegankelijkheid van het middelbaar beroepsonderwijs voor studenten met een handicap in de periode 1979 tot heden.

Van opbouw naar dreigende afbraak

  • In 1979 start de ontwikkeling van beroepsopleidingen voor mensen met een functiebeperking. Er komen twee experimenten: bij centra voor revalidatie Werkenrode en Hoensbroeck.
  • Tien jaar later, in 1989, presenteert de Gehandicaptenraad, de voorloper van de CG-Raad, het rapport ‘Open deuren’. Het rapport geeft weer op welke wijze het regulier beroepsonderwijs toegankelijk is voor leerlingen met een functiebeperking.
  • Het onderzoek van de Gehandicaptenraad is aanleiding voor het Ipsilon-project, een OCW-project dat o.a. de toename van gehandicapten in het leerlingwezen moet stimuleren. Het project loopt van 1990 – 1992.
  • Dan besluit het ministerie van OCW dat de begeleidingslessen voor leerlingen met een functiebeperking in het MBO afgeschaft kunnen worden. Dit besluit wordt uitgevoerd in het begin van de jaren 90.
  • Mede als reactie op dit besluit wordt er op initiatief van de Gehandicaptenraad in de maand maart van 1992 de expertmeeting ‘20 plus…. en dan’ georganiseerd. Onder meer het project Begeleiding Leerweg Gehandicapten van de streekscholen in Rotterdam toont aan dat gericht beleid succesvol is voor de leerling met een handicap.
  • Resultaat van de expertmeeting is dat het MBO, gefinancierd door OCW, projecten kan ontwikkelen in het kader van doelgroepenbeleid, waaronder mensen met een handicap vallen. Als de financiering hiervoor na 1994 wordt beperkt, benadrukken de MBO-scholen dat er voor de doelgroep ‘leerlingen met een handicap’ nog te weinig tijd is geweest om nieuw beleid voldoende uit te werken. Met succes! Daarom komt het initiatief ‘Samen naar Werk’ tot stand, een project dat loopt van 1995 tot 1998. In het project werken vijf ROC’s intensief samen met de Erkende Centra die beroepsopleidingen aanbieden voor mensen met een functiebeperking.
  • Om invulling te geven aan het artikel over gehandicapten in de Wet Educatie Beroepsonderwijs, neemt OCW in 1996 het initiatief voor het project Expertiseopbouw Beroepsopleiding Gehandicapten (EBG). Doel van EBG is om alle ROC’s toe te rusten om deelnemers met een handicap op te leiden in het reguliere beroepsonderwijs. De participatie van de ROC’s wordt in een groeimodel gegoten. De vijf ROC’s uit Samen naar Werk worden gekoppeld aan vijf nieuwe ROC’s, deze tien weer aan de volgende tien, tot uiteindelijk 40 ROC’s moeten gaan deelnemen aan het project. Door de koppeling wordt ontwikkelde expertise overgedragen aan de nieuwe pilots. De looptijd van EBG is van 1996 – 2000.
  • In 1998 doet CINOP, op verzoek van OCW, onderzoek naar de haalbaarheid van leerlinggebonden financiering in de Bve. Nog voor afronding, besluit OCW vanwege de te verwachten hoge kosten, LGF niet in te voeren.
  • Ook de agrarische beroepsopleidingen hebben te maken met leerlingen met een beperking. In samenwerking met de AOC-Raad en het Ministerie van LNV wordt daarom het initiatief genomen voor het project Groen Licht. Ook hier is sprake van uitbreiding van vijf naar tien AOC’s, net als bij het EBG-project vond uitbreiding plaats door middel van een groeimodel.
  • De projecten eindigen succesvol. In een evaluatie concludeert TNO dat 38 ROC’s in meer of mindere mate gehandicaptenbeleid hebben ontwikkeld. Over het algemeen geldt dat het gehandicaptenbeleid bij de ROC’s heeft geleid tot extra instroom van de leerlingen waar het beleid voor bedoeld is. TNO concludeert echter ook dat projecten met een sterk maatschappelijk belang niet alleen kunnen functioneren op individuele inzet en expertise. Deze basis is te zwak en raakt uitgeput. Structurele onderbouwing en kwaliteitsverbetering vragen om een structurele en sterke procescoördinatie.
  • Na afronding van de projecten EBG en Groen Licht wordt door de ministeries besloten dat het projectgeld (€ 1,1 miljoen voor de ROC’s) in de lump sum financiering van de ROC’s en AOC’s wordt opgenomen. Met een aantekening dat verwacht wordt dat deze middelen ook voor het instandhouden van het gehandicaptenbeleid bij de ROC’s en AOC’s worden ingezet. Dit betekent dat zij moeten worden ingezet voor de diverse Steunpunten Studie en Handicap, hoewel de overheid daar geen verplichting aan wil verbinden.
  • De Gehandicaptenraad uit zijn bezorgdheid als de EBG-middelen met ingang van 2000 worden overgeheveld naar de lumpsum. De bezorgdheid wordt vooral veroorzaakt door de onduidelijke toekomst van de middelen voor Ambulante Begeleiding. Zonder deze voorziening, zo schrijft de Gehandicaptenraad, zal de kwaliteit van het onderwijs aan leerlingen met een handicap niet gelijkwaardig kunnen zijn aan dat van andere leerlingen. Verder verwacht de Raad dat het ministerie middels monitoring, quick scan, kwaliteitsverslag, inspectie etc. toezicht zal houden op de besteding van de middelen voor gehandicaptenbeleid. Bij deze evaluaties dienen, naast de lump sum, ook de middelen te worden meegenomen voor Ambulante Begeleiding, het REA-geld voor de erkende centra en mogelijke andere financieringsbronnen. De Gehandicaptenraad vraagt bovendien aan het ministerie op welke wijze er handelend opgetreden zou worden als een ROC het gehandicaptenbeleid onvoldoende vorm zal geven. Tenslotte wordt het verzoek gedaan door te gaan met het faciliteren van een ondersteuningsstructuur om deskundigheidsbevordering en uitwisseling van expertise te blijven organiseren.

Wat is er gebeurd sinds die overheveling in de lumpsum?

  • Bijna alle ROC’s en AOC’s hebben deelgenomen aan één of meerdere van de voornoemde projecten en deze zijn bijna overal geïmplementeerd.
  • Leerlingen met een beperking hebben de weg naar reguliere beroepsopleidingen gevonden, als gevolg het gerichte beleid, de emancipatie van de doelgroep en de steeds verdergaande integratie in het regulier onderwijs. Een voorbeeld: In het Koning Willem I College in Den Bosch is het aantal leerlingen met een beperking toegenomen van 309 in 1996 naar 1666 in 2004.
  • Er is een goede samenwerking met de Erkende Centra (REA College).
  • En er is een ondersteuningsstructuur opgericht in de vorm van het Platform Gehandicapten Bve. Dit platform heeft het doel te komen tot kwaliteitsverbetering en procescoördinatie waar TNO voor heeft gepleit. Maar het platform wordt niet door de overheid gefinancierd. De instellingen hebben vervolgens zelf tot oprichting besloten en financieren het platform door hun jaarlijkse contributie.

Niets te klagen toch?

Zo op het oog lijkt er niets aan de hand, maar…. de ontwikkelingen staan onder druk.

Ten eerste doordat de ROC’s alle vrijheid hebben om het gehandicaptenbeleid naar eigen inzicht en omvang van middelen vorm te geven.

Ten tweede heeft de toename van het aantal leerlingen tot gevolg dat interventies als studiebegeleiding, het treffen van voorzieningen, het geven van extra ondersteuning bij Beroeps Praktijk Vorming e.d. meer inspanningen (menskracht en middelen) vragen van de ROC’s. De € 1,1 miljoen in de lump sum zijn daarvoor niet bedoeld en niet toereikend, want die worden ingezet voor het instandhouden van het gehandicaptenbeleid via de eerder genoemde steunpunten. Al blijft OCW van mening dat hiermee ook de directe ondersteuning van de deelnemer gefinancierd moet worden.

Ten derde staan er in het begin van deze eeuw veranderingen op stapel in de sociale zekerheid en het onderwijsbeleid. Veranderingen die directe gevolgen zullen hebben voor financieringsmogelijkheden van de noodzakelijke interventies.

Het Platform Gehandicapten BVE en het UWV-GAK gaan met elkaar in overleg over de knelpunten die ontstaan en die een belemmering vormen om de individuele leerling met een handicap adequaat op te vangen. Vragen in de Tweede Kamer en initiatieven vanuit de CG-Raad, BveRaad, CINOP en UWV leiden tot onderzoek.

Dit leidt tot de volgende ontwikkelingen:

  • Een werkgroep, bestaande uit GAK, Platform Gehandicapten Bve, de Vereniging Mytyl – en tyltylscholen, het Praktijkonderwijs, de Erkende Centra, KLIQ en Argonaut inventariseren de structurele knelpunten en mogelijke oplossingen. Deze worden weergegeven in de zogenaamde Matrix.
  • Als gevolg van een motie van Groen Links-kamerlid Rabbae, wordt in opdracht van het ministerie van OCW in de periode 2001-2002 een onderzoek gedaan door het ITS. De omvang van de doelgroep deelnemers met een handicap in het beroepsonderwijs wordt onderzocht, evenals de belemmeringen die deze deelnemers ervaren.
  • Vervolgens geven de Bve Raad, UWV en de CG-Raad in 2002 het CINOP opdracht onderzoek te doen naar een mogelijke oplossing van de problemen van financiering van deelnemers met een handicap.
  • Dit laatste onderzoek wordt met name geïnitieerd, omdat recente ontwikkelingen het reeds gerealiseerde beleid, de opgebouwde expertise en daarmee de toegankelijkheid van het MBO nog verder onder druk zetten. Die ontwikkelingen betreffen de afschaffing van de Ambulante Begeleiding in het MBO in augustus 2003, als gevolg van de komst van de leerlinggebonden financiering (LGF) in het primair en voortgezet onderwijs. Tegelijkertijd is door het ministerie van SZW bepaald dat Rea-scholingsmiddelen niet meer voor middelbaar beroepsonderwijs ingezet kunnen worden. Dat terwijl de leerling gedurende de hele opleiding één of meerdere arbeidsrelaties met werkgevers heeft! Het onderzoek van CINOP leidt tot een voorstel voor deelnemergebonden financiering in het middelbaar beroepsonderwijs.

 Waar staan we nu?

Staatssecretaris Nijs stelt dat de ROC’s voldoende geld hebben voor het in stand houden van het gehandicaptenbeleid en het oplossen van de knelpunten die zich voordoen bij opleiding van deelnemers met een handicap. Er wordt verwezen naar de VOA-middelen voor risicogroepen. Ook gisteren, tijdens het Algemeen Overleg in de Tweede Kamer, bleef ze deze boodschap herhalen. Nijs is van mening dat de Bve Raad een gedragslijn moet ontwikkelen voor de ROC’s, opdat zij hun prioriteiten anders gaan stellen en zodoende de aanwezige middelen anders verdelen. Want geld is er genoeg, aldus de staatssecretaris.

Gelukkig staat de Tweede Kamer positief tegenover onze boodschap en is zij bereid mee te denken over oplossingen en de staatssecretaris aan te spreken op haar verantwoordelijkheid.

En hoewel de belangen van de Bve Raad als brancheorganisatie, UWV als uitvoeringsinstelling en de FvO en CG-Raad als belangenbehartigers van de deelnemers mijlenver uit elkaar zouden kunnen liggen, trekken we in deze zaak samen op. We vinden het volkomen onterecht dat een ondersteuningsstructuur in het primair en voortgezet onderwijs in de vorm van Leerlinggebonden Financiering en Leerweg Ondersteunend Onderwijs, ineens ophoudt bij het MBO. Is de belemmering bij de leerling dan opgeheven? Was het maar waar!

In het hoger onderwijs zijn grote financiële bedragen beschikbaar gesteld voor het toegankelijk maken van het onderwijs voor studenten met een handicap via het expertisecentrum Handicap en Studie. Daar worden goede resultaten mee geboekt.

In de Bve-sector kiezen we ervoor deze middelen rechtstreeks in te zetten op de plaats ze nodig zijn: dat betekent direct via de deelnemer. We verdedigen het voorstel dat door het CINOP is ontwikkeld dan ook van harte en brengen het keer op keer onder de aandacht van degenen die de besluitvorming kunnen beïnvloeden.

Kortom: we gaan door voor toegankelijk beroepsonderwijs voor deelnemers met een handicap!

Uit: CG-Raad 3 juni 2004
Website: www.cg-raad.nl



Kies een ander artikelKies een andere rubriek