Ongelukkig in de media: Inleiding

Vaak is het beeld van iemand met een handicap in de media niet erg origineel. Hoewel het verhaal over de rolstoeler die zich zo dapper door het leven slaat zeker de aandacht van de lezer trekt, is het al duizend maal verteld.

Het is opvallend hoe veel interviewers niet veel verder komen dan: "hoelang heeft u dit al?" Hoewel die vraag meestal netter wordt verpakt, blijft de journalist die een artikel moet schrijven over mensen met een handicap of functiebeperking vaak gefocust op die handicap, zodat deze een ware beperking voor het artikel kan worden.

Een begrijpelijke houding. Journalisten zijn tenslotte net mensen. Veel mensen vinden het moeilijk hun houding te bepalen ten opzichte van gehandicapten. Dus is dit voor journalisten kennelijk niet anders.

Toch is dit vreemd. Want een journalist heeft beter dan iemand anders geleerd vragen te stellen. Hij zou in staat geacht mogen worden om:

  • Zich van tevoren verdiept te hebben in de materie.
  • Zich te houden bij zijn onderwerp.
  • In te kunnen springen op onverwachte situaties.

Van handicap tot functiebeperking: De geschiedenis

Vroeger werd iemand met een handicap ook wel "ongelukkig" genoemd. en misschien was dat ook wel zo. Geboren in een tijd waarin hij weinig kansen en mogelijkheden ter beschikking had, was er reden te over een handicap als ongeluk of noodlot te beschouwen. Aan emancipatie ontkomt echter niemand. Ook de "ongelukkigen" niet. Verzorging gepaard aan een zekere vorm van scholing, hoewel nog vaak diep verborgen in mooie bosrijke omgevingen, maakten van de beklaagden begaafden, of in ieder geval simpele werk krachten. Denk aan de speciale werkplaatsen die langzamerhand ontstonden. Kortom, de mens was een variatie rijker, hoewel geen valide. De ongelukkige werd een mens, zij het onvolwaardig. De ongelukkige was nu een invalide, waarbij moet worden aangemerkt, dat blinden, doven en "geestelijk onvolwaardigen" al snel een status aparte kregen. Hun invalidenstatus werd gespecificeerd. Waar blindheid en doofheid bij name werden genoemd, bleef de geestelijk onvolwaardige nog lang ongelukkig.

Hoe beter de invalide, waaronder we voor het gemak ook de dove en de blinde zullen scharen, zich leerde ontwikkelen, hoe zelfstandiger hij kon worden. Een proces dat, net als bij veel andere zich emanciperende groeperingen, nog altijd niet is voltooid. Toch riep het gevoel een zelfstandig individu te zijn bij velen de wens op meer te zijn dan de, vaak nog als zielig beschouwde, "invalide". Zo ontstond de roep om een nieuwe term en werd de invalide langzaam aan een gehandicapte.

Behalve een groeiend besef van eigen waarde, werden er vooral meer mogelijkheden ontsloten door de voortschrijdende techniek. Een voorbeeld van die techniek was de schrijfmachine. Veel sneller dan de pen en een groot goed voor iedereen en dus ook voor de blinde die nu behalve een arbeidsmogelijkheid ook een communicatiemedium rijker was, omdat zijn omgeving geen braille meer behoefde te leren om wat hij schreef te kunnen lezen.

Langzamerhand werden hulpmiddelen mooier en beter bruikbaar. Van karretje tot rolstoel, van houten been tot steeds mooiere prothese en van schrijfmachine tot computer. Hierdoor kwamen telkens meer normale zaken binnen het bereik van de gehandicapte. Leren, werken, sporten, allengs zelfstandiger wonen en leven. Vanuit de beschermde werkplaats naar een gewoon bedrijf, vanuit de bossen naar een zelf gekozen woonplek. De hulp bleef en blijft nodig. Maar de zichtbaar wordende gehandicapte werd een onderdeel van de maatschappij iemand met eigen mogelijkheden en ideeën.

Wie zich goed voelt, weet dat hij iets waard is, heeft er niet altijd meer behoefte aan als gehandicapt te worden aangemerkt. Hij is in de eerste plaats mens en pas daarna kaal, autobezitter, blind of doof. Om hieraan uitdrukking te geven ontstond de zinswending: "iemand met een functiebeperking". De rolstoeler werd rolstoelgebruiker en de blinde iemand met een visuele handicap of visuele beperking.

Over beeldvorming, moderne magiërs of de macht van de makers

Magie is van alle tijden. Het is nog slechts enkele eeuwen geleden, dat heksen zich mochten verheugen in een warme belangstelling en de praktijken van de chirurgijn waren eeuwenlang in nevelen gehuld. Ook in onze tijd echter, is de wereld niet gevrijwaard van tover en magie. De belangrijkste hedendaagse magiërsgilden zijn misschien wel, computer deskundigen en journalisten. De eerste groep bestiert het virtuele toverstokje, de tweede tovert met taal. Wat voor beiden geldt, is de nimmer aflatende publieke belangstelling. Want wie iets creëert, kan kennelijk iets in de loop der dingen beïnvloeden, veranderen en dat spreekt tot de verbeelding.

Omdat er nu zoveel bronnen van informatie zijn, is het al lang niet meer zo dat wat jij zegt of schrijft morgen het gesprek van de dag is; enkele uitzonderingen daargelaten. Toch heeft de journalist nog die zelfde informerende rol die hij van oudsher had. Hij komt waar niemand heen wil of mag. Hij vraagt wat anderen niet durven of willen vragen. En meestal krijgt hij nog antwoord ook.

Zo'n uitzonderingspositie biedt mogelijkheden. Behalve voor de vragen die de lezer/kijker/luisteraar graag gesteld ziet, is er ruimte voor meer. Natuurlijk hangt het van het medium en het doel van het eindproduct af hoeveel dat meer mag zijn, maar in de regel wil het publiek best verrast worden en is er dus ruimte voor creativiteit.

Gaan creativiteit en kennis hier wellicht hand in hand? Dat is heel wel mogelijk. Immers, creatief om kunnen gaan met materiaal kan alleen dan, wanneer dat materiaal door en door gekend is. Maar daar ligt dan ook meteen een probleem. Want de journalist kent eerder nog dan het materiaal zijn deadline en die moet hoe dan ook worden gehaald. Daarbij geldt nog, dat een publicist om te kunnen leven meer dan bijvoorbeeld een artikel per week moet kunnen aanleveren. De voorbereidingstijd voor elk verhaal afzonderlijk is dus beperkt.

Soms lijkt het wel of kennis van het materiaal, nog verkregen moet worden tijdens het interview. Dat doet de toon van sommige publicaties tenminste vermoeden. Duidelijk is dan te horen hoe knap het toch is wat die gehandicapte daar allemaal doet. Een toon die er waarschijnlijk ongewild insluipt. De journalist die met te weinig materiaalkennis op pad is gegaan kan niet verder kijken dan zijn eigen be- of verwondering en de creativiteit is in dergelijke artikelen dan ook meestal ver te zoeken.

Goede voorbereiding voorkomt in veel gevallen ook een ander probleem. Namelijk het verzanden in oeverloze anekdotes over de handicap. We hoeven niet telkens weer te lezen hoe leuk of niet iemands leven in een internaats situatie of op een school voor speciaal onderwijs was. En zo'n zes van een tien minuten durend televisie interview besteden aan de vraag: "Hoe bent u zo geworden", is al even min wenselijk, als de geïnterviewde tenminste is uitgenodigd voor een ander talent dan dat van kijkcijferkanon, waar hij niets anders voor hoeft te doen dan zijn handicap zo goed mogelijk te etaleren.

Een geïnterviewde die interessant genoeg is door zijn persoonlijkheid, en door wat hij kan of doet, zorgt voor meer variatie. De functiebeperking zal tijdens zo'n gesprek vanzelf de rol krijgen die hem toekomt; namelijk die van het soms belangrijke, maar op andere momenten te verwaarlozen feit. De geïnterviewde krijgt plots de kans iemand te zijn, namelijk een mens in plaats van een gehandicapte. De journalist/interviewer tenslotte krijgt de kans, op originele wijze journalistiek te bedrijven. Hij schetst zijn publiek een situatie, een leven een beeld. Kortom, hij doet aan beeldvorming rond mensen met. Mensen met een pas behaalde medaille, of een ander boeiend verhaal en met als slagroom op de taart, een functiebeperking.